Onvoldoende aannemelijk gemaakt dat beoordelingscommissie niet deskundig is (week 16)
Uitvoeringseis | beoordeling van de kwaliteit | deskundigheid beoordelaars
Wee-play vordert de gemeente te verbieden om een aanbesteding voor kinderopvang van de gemeente Roerdalen aan NATUURlijk te gunnen. Wee-play heeft haar stelling dat zij twijfelt of NATUURlijk in staat zal blijken aan de uitvoeringseis te voldoen volgens de rechter niet nader uitgewerkt. De rechter zegt verder dat door Wee-play onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er reden is voor twijfel aan de deskundigheid van de beoordelingscommissie, zodat de stellingen van Wee-play ook op dit punt geen doel treffen. (ECLI:NL:RBLIM:2026:2977, Rechtbank Limburg, Datum uitspraak 24 maart 2026, Datum publicatie 15 april 2026)
Feiten en omstandigheden
Naar aanleiding van nieuwbouwplannen voor een school, waarin een kindpartner/kinderopvanglocatie zou worden gevestigd, is op 13 oktober 2023 een aanbesteding opengezet door de gemeente Roerdalen, waarvoor kinderopvanglocaties zich konden inschrijven om in opdracht van de gemeente kinderopvang aan te bieden. Die aanbesteding leidde tot de voorgenomen gunning door de gemeente aan NATUURlijk. Wee-play heeft vervolgens een kort geding tegen de gemeente aangespannen waarin zij de voorgenomen gunning heeft aangevochten. De voorzieningenrechter heeft de gemeente vervolgens op 3 april 2024 een gebod opgelegd de aanbestedingsprocedure te staken en opnieuw aan te besteden. De gemeente Roerdalen is vervolgens opnieuw een (openbare Europese) aanbestedingsprocedure opgestart. De gemeente heeft de opdracht op 22 december 2025 voorlopig gegund aan NATUURlijk. Omdat het bij de beoordeling te betrekken criterium prijs betrekking heeft op de huurovereenkomst en het huurbedrag gelijk is voor alle inschrijvers, zijn de inschrijvingen enkel beoordeeld op de kwalitatieve criteria. Daarbij scoorde NATUURlijk met 454 punten het hoogst. Wee-play behaalde een score van 349 punten en is daarmee in rangorde als tweede geëindigd. Wee-play vordert de gemeente te verbieden om de opdracht aan NATUURlijk te gunnen. Het oordeel van de rechter:
Uitvoeringseis
“Wee-play heeft haar stelling dat zij twijfelt of NATUURlijk in staat zal blijken aan de uitvoeringseis te voldoen bij dagvaarding niet nader uitgewerkt. Wee-play heeft alleen gesteld dat, voor zover haar bekend, tot op heden door NATUURlijk geen VVE-programma (red: voor- en vroegschoolse educatie) wordt geboden en, voor zover haar bekend, ook niet voor de toekomst. Ter zitting heeft NATUURlijk gemotiveerd betwist dat zij niet zou kunnen voldoen aan de uitvoeringseis VVE. Zij is wel degelijk in staat om VVE-opvang te bieden in het kader van de opdracht en heeft daartoe onder meer het navolgende aangevoerd. Zij beschikt nu reeds over personeel met de juiste/benodigde certificering. Circa 90% van haar personeel beschikt namelijk al over VVE-certificering. De enige reden dat zij tot nog toe geen VVE opvang heeft geboden is volgens NATUURlijk gelegen in de omstandigheid dat haar huidige locatie daar niet de juiste inrichting voor biedt. Hier is door Wee-play ter zitting alleen op gereageerd met de herhaling van haar stelling dat NATUURlijk nog steeds geen VVE biedt en dat dit tot problemen zou kunnen leiden. Van een situatie waarin door Wee-play gerede twijfel is gezaaid over NATUURlijk als serieuze inschrijver is dan ook geen sprake. De gemeente mag om die reden erop vertrouwen dat NATUURlijk in staat zal blijken bij de uitvoering van de opdracht VVE aan te bieden.”
Deskundigheid beoordelingscommissie
“Wat betreft de door Wee-play geuite twijfels over de deskundigheid van de beoordelingscommissie overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Wat betreft de samenstelling van de beoordelingscommissie geldt dat deze kennelijk voor 50% uit medewerkers van de school en voor 50% uit medewerkers van de gemeente bestond. Dat medewerkers van school onderdeel uitmaakten van de beoordelingscommissie hoeft geen verbazing te wekken, gezien het grote belang dat door de gemeente, gelet op de inhoud van de aanbestedingstukken, wordt gehecht aan de samenwerking tussen kindpartner / winnende inschrijver en de school. De enkele omstandigheid dat medewerkers van de school deel uitmaakten van de beoordelingscommissie geeft dus geen aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid van de commissie. Daarbij komt dat NATUURlijk er terecht op heeft gewezen dat de commissie uiteindelijk als comité heeft geoordeeld, wat betekent dat het feit dat er wellicht onderdelen worden beoordeeld waarbij de expertise van de medewerkers van de school minder evident is, dat wordt ‘gecompenseerd’ door de andere leden. Van duidelijke aanwijzingen/aanknopingspunten dat de (andere leden van de) beoordelingscommissie over onvoldoende expertise beschikte is bovendien geen sprake. Dit geldt zowel voor de twijfels van Wee-play over de beoordeelaars afkomstig van de gemeente als voor de twijfels van Wee-play over de beoordelaars van de school. Die stellingen blijven uiterst algemeen en zijn vooral gebaseerd op algemene veronderstellingen. Nergens worden de twijfels over het beschikken over de benodigde expertise om tot een goed gewogen oordeel te komen concreet gemaakt. Dat gebeurt ook niet met de verwijzing naar een enkele opmerking van een van de beoordelaars tijdens het gesprek begin januari 2026 dat blijkens de daarvan heimelijk gemaakte opname tenminste drie kwartier duurde. Daar komt bij dat de door de beoordelingscommissie gebruikte bewoordingen bij de voorzieningenrechter geen twijfel oproepen over hun (des)kundigheid. Dit terwijl aanbestedende diensten bovendien een ruime mate van de discretionaire bevoegdheid toekomt, en er in beginsel dient te worden uitgegaan van de deskundigheid van de door de aanbestedende dienst aangewezen beoordelingscommissie, en deze ook de nodige vrijheid dient te worden gegund. Temeer nu van de rechter niet kan worden verlangd dat deze specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de betreffende opdracht. Het voorgaande maakt dat door Wee-play onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er reden is voor twijfel aan de deskundigheid van de beoordelingscommissie, zodat de stellingen van Wee-play op dit punt geen doel treffen.”
VdLC publishers/consultants BV, 22 april 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl