Politie mag kleinere ondernemingen kans geven om perceel te winnen (week 15)
Transparantiebeginsel | spoedeisend belang | lineair programmeren
Bij een aanbesteding voor schoonmaakdiensten voor de Politie is CSU van mening dat de aanbestedingsprocedure een fundamenteel gebrek bevat. De Politie heeft naar voren gebracht dat in de opzet besloten lag dat ook kleinere ondernemingen een kans zouden hebben om een perceel te winnen en dat de Politie niet afhankelijk wilde zijn van één opdrachtnemer. Ook dat zijn belangen die volgens de rechter gediend mogen worden en die mede tot de conclusie leiden dat de uitkomst waarbij op perceelniveau niet het optimale resultaat wordt behaald, te rechtvaardigen is. Anders dan CSU stelt, is van strijd met het transparantiebeginsel ook geen sprake. De Politie heeft in de aanbestedingsstukken duidelijk gemaakt dat de uiteindelijke verdeling plaatsvindt op basis van lineair programmeren. (ECLI:NL:GHDHA:2026:95, Gerechtshof Den Haag, Datum uitspraak 13 januari 2026, Datum publicatie 7 april 2026)
Feiten en omstandigheden
Het gaat in deze zaak om een aanbesteding voor schoonmaakdiensten voor de Politie. CSU is van mening dat de aanbestedingsprocedure een fundamenteel gebrek bevat. In eerste aanleg vorderde zij daarom dat de aanbestedingsprocedure gestaakt zou worden. In dit hoger beroep heeft zij haar eis gewijzigd en vordert zij dat de reeds gesloten overeenkomsten na afloop van de initiële termijn van 3 jaar niet worden verlengd en dat dan een nieuwe aanbestedingsprocedure wordt georganiseerd. Het oordeel van het hof:
Geen spoedeisend belang
“Het hof moet ambtshalve beoordelen of er bij de vordering (nog) spoedeisend belang bestaat. Nu CSU haar vordering heeft gewijzigd, is het die gewijzigde vordering waarvan het hof het spoedeisend belang moet beoordelen. De gewijzigde vordering strekt ertoe dat de gesloten overeenkomsten over drie jaar niet verlengd worden en dat alsdan een nieuwe aanbestedingsprocedure wordt georganiseerd. Bij die vordering bestaat duidelijk geen spoedeisend belang. CSU heeft gedurende de looptijd van de gesloten overeenkomsten voldoende gelegenheid om haar stellingen aan de bodemrechter voor te leggen. In zoverre is zij dus in haar vorderingen niet-ontvankelijk. Tijdens de mondelinge behandeling heeft CSU naar voren gebracht dat de Politie op grond van artikel 9.3 van de overeenkomsten de opdrachten kan beëindigen wanneer zij niet kan instaan voor de rechtmatigheid van de overeenkomsten. Omdat de Politie dat op ieder moment kan doen, bestaat er volgens CSU een spoedeisend belang bij een oordeel van het hof over de rechtmatigheid van de aanbestedingsprocedure. Dat betoog ziet eraan voorbij dat CSU niet vordert dat de Politie de overeenkomsten beëindigt. Integendeel, in par. 1.8 van de akte wijziging eis voert CSU nadrukkelijk aan dat zij de keuze om de overeenkomsten al dan niet te beëindigen, aan de Politie laat. De vordering strekt er slechts toe om de overeenkomsten na ommekomst van de initiële looptijd van drie jaar, niet te verlengen en na afloop van die looptijd een nieuwe aanbestedingsprocedure te organiseren. Die vordering is niet spoedeisend.”
Transparantiebeginsel
“Anders dan CSU stelt, is van strijd met het transparantiebeginsel geen sprake. De Politie heeft in aanbestedingsstukken duidelijk gemaakt dat er een maximum van twee percelen per inschrijver gold. Tevens is aangegeven dat de uiteindelijke verdeling plaatsvindt “op basis van lineair programmeren” (par. 2.1 Inschrijvingsleidraad). Daarbij is ook duidelijk gemaakt dat gekozen zal worden voor “de beste totaaloplossing” voor de Politie (par. 2.1.4 Inschrijvingsleidraad). In de situatie waarin per perceel maximaal 1.000 punten kunnen worden verkregen volgt daaruit in voldoende mate dat de Politie een verdeling zou maken waarbij de totaalscore van 10.000 punten zo dicht mogelijk benaderd zal worden. Dat laatste volgt ook voldoende duidelijk uit het antwoord op vraag 34 van de eerste Nota van Inlichtingen en uit Bijlage M die in het antwoord op vraag 214 is opgenomen. CSU voert verder aan dat er een gebrek aan transparantie is omdat de toewijzing van de percelen afhankelijk is van de totaalscores van de verschillende inschrijvers op de verschillende percelen en van het aantal inschrijvers per perceel. Zij wijst erop dat de Politie die informatie tevoren niet heeft verstrekt. Nu zij ook onderkent dat de Politie die informatie tevoren niet kon verstrekken, ziet het hof niet in hoe dit een gebrek aan transparantie vormt. Dat de Politie de door CSU gestelde ongelijkheid van de percelen niet heeft betrokken in de gunning, en dat ook niet zou doen, was al uit de aanbestedingsstukken duidelijk. CSU heeft niet aangevoerd dat de gunning die heeft plaatsgevonden niet heeft geleid tot de voor de Politie “beste oplossing” in die zin dat de totaalscore het dichtst bij 10.000 punten ligt. Daarmee voldoet de gunning dus aan de opzet van de aanbesteding. De Politie heeft daarbij nog naar voren gebracht dat in die opzet besloten lag dat ook kleinere ondernemingen een kans zouden hebben om een perceel te winnen en dat de Politie niet afhankelijk wilde zijn van één opdrachtnemer. Ook dat zijn belangen die gediend mogen worden en die mede tot de conclusie leiden dat de uitkomst waarbij op perceelniveau niet het optimale resultaat wordt behaald, te rechtvaardigen is. Het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter dat het beroep van de Politie op rechtsverwerking slaagt.
VdLC publishers/consultants BV, 15 april 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl