Terecht geen gelegenheid gegeven om inschrijving te verbeteren of aan te vullen (week 9)
Herstel kleine fout | proportionaliteitsbeginsel | maatschappelijke waarde
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure gehouden voor de opdracht ‘Realisatie herinrichting [adres] ’ De inschrijving van [eiseres] is volgens [eiseres] ten onrechte als ongeldig terzijde gesteld. De rechter zegt dat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval waarin aan [eiseres] de gelegenheid had moeten worden geboden haar inschrijving te verbeteren of aan te vullen. Ook het betoog van [eiseres] dat terzijdestalling van haar economisch gunstiger inschrijving vanuit het oogpunt van de belastingbetaler strijdig zou zijn met artikel 1.4 lid 2 Aw, dat bepaalt dat de aanbestedende dienst moet zorgdragen voor een maximale maatschappelijke waarde, faalt. (ECLI:NL:RBDHA:2025:27660, Rechtbank Den Haag, Datum uitspraak 16 december 2025, Datum publicatie 27 december 2026)
Feiten en omstandigheden
De Staat (Rijksvastgoedbedrijf) heeft een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure gehouden voor de opdracht ‘Realisatie herinrichting [adres] ’ Het pand moet worden heringericht en bouwkundig worden aangepast zodat het als kantoorpand met 150 werkplekken kan worden gebruikt. Bij gunningsbeslissing van 30 september 2025 heeft de Staat de inschrijving van [eiseres] als ongeldig terzijde gelegd. [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter de Staat gebiedt om de gunningsbeslissing in te trekken. De inschrijving van [eiseres] is volgens [eiseres] ten onrechte als ongeldig terzijde gesteld. De ongeldigverklaring is dan ook disproportioneel. Bovendien is terzijdelegging van de inschrijving van [eiseres] in strijd met artikel 1.4 lid 2 Aw, dat bepaalt dat de aanbestedende dienst moet zorgdragen voor een maximale maatschappelijke waarde. Het is immers vanuit het oogpunt van de belastingbetaler moeilijk te rechtvaardigen dat de inschrijving van [eiseres] terzijde is gelegd terwijl die economisch veel voordeliger is dan die van IJbouw. Het oordeel van de rechter:
Geen sprake van een uitzonderlijk geval
“Het aanpassen van de ingediende Inschrijvingsbegroting waarbij de bankgarantie eindigt bij aanvang van de onderhoudstermijn naar een bankgarantie die zich wel uitstrekt over de onderhoudstermijn, zou er toe leiden dat er materieel gezien sprake is van een nieuwe inschrijving. De posten die zijn opgenomen in de Inschrijvingsbegroting dienen bij elkaar opgeteld immers overeen te komen met de Inschrijvingssom vermeld op het Inschrijvingsbiljet. Dit brengt mee dat als een de Inschrijvingsbegroting wordt aangevuld met een eerder ontbrekende post, dit ook tot aanpassing van de (hoogte van de) Inschrijvingssom op het Inschrijvingsbiljet leidt. Dit zou in strijd komen met de hiervoor aangehaalde jurisprudentie. Ook is het in geval van verbetering of aanvulling van de Inschrijvingsbegroting door daarin alsnog een volledige bankgarantie op te nemen, niet (meer) mogelijk objectief vast te stellen dat deze gegevens dateren van voor de inschrijvingstermijn. Het voorgaande betekent dat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval waarin aan [eiseres] de gelegenheid had moeten worden geboden haar inschrijving te verbeteren of aan te vullen.”
Proportionaliteitsbeginsel
[eiseres] heeft verder betoogd dat de sanctie van terzijdestelling van haar inschrijving in strijd met het proportionaliteitsbeginsel is. Dit betoog slaagt niet. In de wet en de jurisprudentie over herstelmogelijkheden is het proportionaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat de reactie van de aanbestedende dienst op een verzuim van een inschrijver in verhouding tot dat verzuim moet staan, al verdisconteerd: op grond van het proportionaliteitsbeginsel moet de aanbestedende dienst als wordt voldaan aan de eerdergenoemde criteria voor herstel de inschrijver gelegenheid bieden tot herstel van het verzuim. Dit betekent dat als het gebrek zich niet voor herstel leent, zoals in dit geval, de terzijdelegging van de inschrijving niet in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Er is geen plaats voor een tweede toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel.
Belastingbetaler
Ook het betoog van [eiseres] dat terzijdestalling van haar economisch gunstiger inschrijving vanuit het oogpunt van de belastingbetaler strijdig zou zijn met artikel 1.4 lid 2 Aw, dat bepaalt dat de aanbestedende dienst moet zorgdragen voor een maximale maatschappelijke waarde, faalt. Op grond van paragraaf 4.1.2.2. Leidraad heeft de Staat de Inschrijvingsbegroting gecontroleerd op onregelmatigheden. Artikel 2.28 lid 3 Aw bepaalt dat een inschrijving onder meer onregelmatig is, als deze niet voldoet aan de vereisten van de aanbestedingsstukken. Nu de Inschrijvingsbegroting van [eiseres] niet voldoet aan de eisen als vermeld in de NvI, komt zij niet in aanmerking voor gunning (Leidraad, paragraaf 4.1). Het niet optreden tegen de Inschrijvingsbegroting van [eiseres] die, nu herstel daarvan niet mogelijk is, (definitief) niet voldoet aan de uitvraag en daarmee incorrect is, terwijl anderen hun inschrijving wel conform de uitvraag hebben ingediend, is in strijd met de wet (artikel 3.35.1 ARW) en de beginselen van het aanbestedingsrecht (gelijke behandeling, artikel 1.8 Aw; transparantie, artikel 1.9 Aw; en objectiviteit, artikel 1.10a Aw). De Staat was dan ook gehouden de inschrijving van [eiseres] als ongeldig terzijde te leggen.
VdLC publishers/consultants BV, 4 maart 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl