Woo-verzoeken over tolkdienstverlening mogen niet buiten behandeling gesteld (week 17)
Wet Open Overheid (Woo)
Deze zaak gaat over de vraag of de minister van Justitie en Veiligheid drie Woo-verzoeken over aanbestedingsprocedures omtrent tolkdienstverlening buiten behandeling heeft mogen stellen vanwege misbruik van recht. De rechter komt tot de conclusie dat de minister niet bevoegd was om de Woo-verzoeken buiten behandeling te stellen. In dit geval is er op 13 mei 2024 op de Woo-verzoeken beslist. Dit is circa 6,5/7 maanden na ontvangst van de verzoeken. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat toen (of kort daarvoor) pas is gebleken dat eiser kennelijk een ander doel zou hebben gehad voor het krijgen van de informatie. De inhoudelijke vraag of eiser zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht, kan daarom in deze procedure onbesproken blijven. (ECLI:NL:RBMNE:2025:7875, Rechtbank Midden-Nederland, Datum uitspraak 20 november 2025, Datum publicatie 24 april 2026)
Feiten en omstandigheden
Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister van Justitie en Veiligheid drie Woo-verzoeken buiten behandeling heeft mogen stellen op grond van artikel 4.6 van de Woo vanwege misbruik van recht. De 3 Woo-verzoeken van eiser zien op informatie over aanbestedingsprocedures omtrent tolkdienstverlening. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verzoeken niet buiten behandeling heeft mogen stellen, omdat dit niet onverwijld is gedaan en dit volgens artikel 4.6 van de Woo wel moet. Het beroep is dus gegrond.
De rechter zegt o.a.:
Binnen 2 weken
Eiser voert aan dat de minister zijn Woo-verzoeken in behandeling moet nemen. In de eerste plaats wijst eiser erop dat de minister niet bevoegd is om de Woo-verzoeken op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling te stellen, omdat dit artikel voorschrijft dat dit binnen 2 weken, althans onverwijld na ontvangst van de verzoeken moet gebeuren. Dat is hier niet gedaan. De minister stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onverwijld is genomen nadat is gebleken dat eiser een ander doel had dan het verkrijgen van publieke informatie. Er moest voorafgaand aan het te nemen besluit intern onderzoek worden gedaan en daarmee is de minister in december 2023 begonnen. Dit kostte echter de nodige tijd en er moest nog interne afstemming over de besluitvorming plaatsvinden. De knoop is op 9 mei 2024 doorgehakt en daarna is direct het besluit genomen. Het onderzoek was nodig om vast te stellen dat eiser de Woo-verzoeken met een ander doel had ingediend en om vast te stellen dat eiser zich bij de behandeling van een ander Woo-verzoek van 20 juni 2023 oncoöperatief had opgesteld.”
Ander doel
“De rechtbank geeft eiser gelijk. Op grond van artikel 4.6 van de Woo kan een bestuursorgaan besluiten een verzoek niet te behandelen als de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of als het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft. Dit kan het bestuursorgaan volgens dit artikel besluiten binnen 2 weken na ontvangst van het verzoek of onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. In dit geval is er op 13 mei 2024 op de Woo-verzoeken beslist. Dit is circa 6,5/7 maanden na ontvangst van de verzoeken. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat toen (of kort daarvoor) pas is gebleken dat eiser kennelijk een ander doel zou hebben gehad voor het krijgen van de informatie. De minister wist bij de ontvangst van de Woo-verzoeken al dat eiser betrokken was bij procedures tegen het ministerie over aanbestedingen. Ook de proceshouding van eiser bij het andere Woo-verzoek was al bekend, want dit speelde in september 2023, vóór indiening van deze Woo-verzoeken. Daarbij is op de zitting bevestigd dat er na de drie Woo-verzoeken niet nog iets heeft plaatsgevonden. Er is na ontvangst van de Woo-verzoeken geen contact geweest tussen partijen, anders dan tijdens de behandeling van het beroep niet tijdig beslissen waarin de minister in een verweerschrift inhoudelijk op het beroep heeft gereageerd. De rechtbank begrijpt tot slot dat er bij het ministerie tijd overheen gaat om een situatie te onderzoeken en om te kunnen vaststellen of sprake is van misbruik van recht, maar in dit geval is 6,5/7 maanden na de Woo-verzoeken tot de buitenbehandelingstelling overgegaan en daarvoor is onvoldoende verklaring gegeven. Er is dan ook geen sprake van het onverwijld buiten behandeling stellen van de Woo-verzoeken, nadat is gebleken dat eiser kennelijk een ander doel zou hebben gehad bij het verkrijgen van de informatie.”
Dat betekent dat de minister niet bevoegd was om de Woo-verzoeken bij het besluit van 13 mei 2024 buiten behandeling te stellen. De inhoudelijke vraag of eiser zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht, kan daarom in deze procedure onbesproken blijven.
VdLC publishers/consultants BV, 29 april 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl