Zittende leverancier niet benadeeld door implementatieplan als gunningscriterium (week 17)
Implementatieplan
De Gemeente Eindhoven vangt sedert de inval van Rusland in Oekraïne in februari 2022 ongeveer 1.500 ontheemden uit Oekraïne op. De Gemeente heeft op 17 september 2025 een Europese openbare aanbesteding aangekondigd voor de inkoop van “Sociale- en facilitaire dienstverlening gemeentelijke opvang Oekraïners (GOO)”. Springplank vordert de Gemeente te verbieden de opdracht voor wat betreft Perceel B aan [tussenkomende partij] te gunnen. Springplank wordt volgens de rechter als zittende leverancier niet onredelijk benadeeld ten opzichten van de overige inschrijvers door ook van haar een implementatieplan met een tijdsplanning te verlangen. (ECLI:NL:RBOBR:2026:2540, Rechtbank Oost-Brabant, Datum uitspraak 21 april 2026, Datum publicatie 21 april 2026)
Feiten en omstandigheden
De Gemeente Eindhoven vangt sedert de inval van Rusland in Oekraïne in februari 2022 ongeveer 1.500 ontheemden uit Oekraïne op, verspreid over 12 locaties en 60 woningen in Eindhoven. De Gemeente heeft op 17 september 2025 een Europese openbare aanbesteding aangekondigd voor de inkoop van “Sociale- en facilitaire dienstverlening gemeentelijke opvang Oekraïners (GOO)”. Springplank is op dit moment ten aanzien van de percelen B en C belast met de opvang van ontheemde Oekraïners op basis van een door de Gemeente afgegeven subsidiebeschikking. Springplank heeft ingeschreven op alle vier de percelen. Op 19 december 2025 heeft de Gemeente in haar gunningsbeslissingen kenbaar gemaakt dat zij de percelen A en D aan Springplank zal gunnen en de percelen B en C aan [tussenkomende partij] . Springplank vordert de Gemeente te verbieden de opdracht voor wat betreft Perceel B aan [tussenkomende partij] te gunnen en de Gemeente te gebieden om de (voorlopige) gunningsbeslissing ter zake Perceel C in te trekken en over te gaan tot een herbeoordeling van de inschrijving van Springplank op perceel C. Het oordeel van de rechter:
Zittende partij
“De Gemeente en [tussenkomende partij] stellen in dat verband terecht dat algemene grondbeginselen van het aanbestedingrecht zich er tegen verzetten dat voor Springplank als zittende partij een ander (sub)gunningscriterium zou gelden – waarvan bijvoorbeeld geen implementatieplanning wordt verlangd - dan voor de overige inschrijvers, dan wel dat het subgunningscriterium anderszins ruimte zou laten aan de aanbestedende dienst om een inschrijving – vanwege het feit dat zij afkomstig is van de zittende opdrachtnemer - op dat punt anders te beoordelen. Een dergelijk gunningscriterium zou op voorhand evident in strijd komen met het gelijkheidsbeginsel en daarmee niet toelaatbaar zijn. De Gemeente mág als aanbestedende dienst in dat verband bij de beoordeling van de inschrijving van Springplank ook niet de kennis betrekken die zij vanuit de samenwerking met Springplank in de uitvoering van de huidige opvangwerkzaamheden op de percelen B en C heeft opgedaan. De Gemeente dient zich bij de beoordeling louter te beperken tot de inhoud van de inschrijving van Springplank.
Wezenlijke veranderingen
“Verder miskent Springplank in haar betoog dat er voor haar als zittende partij bij opdrachtverlening wezenlijke veranderingen zullen moeten worden doorgevoerd. De Gemeente heeft in de randnummer 3.8 uitvoerig en onweersproken gesteld en toegelicht dat de aard en omvang van de werkzaamheden die Springplank thans op basis van de subsidiebeschikking uitvoert anders en beperkter zijn dan hetgeen voortvloeit uit het programma van eisen die de basis vormt van de aan te besteden opdracht. Daarbij wijst de Gemeente er op dat de dienstverlenende partij in dat laatste geval afdwingbare verplichtingen aangaat waar dat in het geval van een subsidiebeschikking in beginsel niet het geval is.”
Omvangrijker pakket aan eisen en voorwaarden
“De Gemeente wijst er op dat op de te gunnen opdracht een aanzienlijk omvangrijker pakket aan eisen en voorwaarden van toepassing is dan die welke voortvloeien uit de huidige subsidierelatie. De Gemeente noemt in dat kader onder meer de strengere eisen die gelden voor het personeel, de veiligheid, de schoonmaak van de locaties, de beveiliging als ook de bijkomende eisen met betrekking tot wet- en regelgeving waaraan moet worden voldaan. Springplank heeft de juistheid van die stellingen niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken. De stelling van Springplank dat voor haar ten aanzien van de percelen B en C sprake is van een situatie waarbij er voor haar als zittende partij feitelijk nauwelijks iets zal veranderen als de opvang in het vervolg op basis van de te gunnen opdracht zullen worden uitgevoerd, lijkt dan voorshands ook niet juist. Springplank zal op vele fronten binnen de organisatie van de opvang veranderingen moeten doorvoeren die verder gaan dan zij thans – blijkens haar betoog - kennelijk voorziet.”
Nog genoeg te implementeren
“Kortom, ook voor Springplank als zittende partij lijkt er vanwege de wijziging in en uitbreiding van de door de Gemeente gestelde eisen en voorwaarden nog genoeg te implementeren als zij de opdracht gegund zou krijgen. Springplank wordt in dat opzicht ook niet onredelijk benadeeld ten opzichten van de overige inschrijvers die niet al op één van de percelen actief zijn door ook van haar een implementatieplan met een tijdsplanning te verlangen. Integendeel: het biedt voor Springplank juist kansen om zich als zittende partij op dat punt te onderscheiden van andere inschrijvers door een analyse te maken van de huidige en de nieuwe eisen en voorwaarden en vanuit een vergelijking van die twee een implementatieplan te schrijven waarmee zij inzichtelijk maakt hoe en binnen welk tijdpad zij de overgang zal maken naar de nieuwe uitvoeringspraktijk. Indien en voor zover uit die vergelijking zou volgen dat de bestaande praktijk (op onderdelen) geen wijziging ondergaat zou dan ook met kracht van argumenten op die onderdelen een implementatieplan(ning) achterwege kunnen blijven.”
Slotsom is dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding bestaat om de Gemeente te verbieden om de opdracht aan [tussenkomende partij] te gunnen dan wel om haar te veroordelen tot een herbeoordeling van de inschrijvingen.
VdLC publishers/consultants BV, 29 april 2026
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl