Loonsverhoging kan criterium zijn bij bepalen EMVI (week 13)
Op 13 juni 2023 heeft AESTE beroep ingesteld bij het bevoegde bestuursorgaan van de Baskische regio tegen het bestek van een overheidsopdracht van de gemeente Ortuella voor een thuiszorgdienst. De kern van het geschil is een gunningscriterium in het bestek dat maximaal 40 punten toekent aan inschrijvers die een loonsverhoging voorstellen voor het personeel dat de opdracht zal uitvoeren. Het HvJEU verklaart voor recht dat een criterium voor de gunning van een overheidsopdracht waarbij er rekening wordt gehouden met de loonsverhoging die de inschrijver voorstelt, geschikt is voor de aanbestedende dienst om de economisch meest voordelige inschrijving te identificeren. (Arrest van het Hof (Tweede kamer) 5 maart 2026 In zaak C‑210/24)
Feiten en omstandigheden
Op 13 juni 2023 heeft AESTE beroep ingesteld bij het bevoegde bestuursorgaan van de Baskische regio tegen het bestek van een overheidsopdracht van de gemeente Ortuella voor een thuiszorgdienst. Deze opdracht betreft sociale dienstverlening zonder verblijf, gericht op het ondersteunen van gezinnen en personen die moeite hebben hun fysiek, sociaal of emotioneel welzijn te behouden. Het doel van de dienst is om gebruikers zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen.
De kern van het geschil is een gunningscriterium in het bestek dat maximaal 40 punten toekent aan inschrijvers die een loonsverhoging voorstellen voor het personeel dat de opdracht zal uitvoeren, bovenop het loon dat is vastgelegd in de sectorale cao. Hoe hoger het voorgestelde percentage loonsverhoging, hoe meer punten worden toegekend volgens een vaste formule. Inschrijvingen zonder loonsverhoging krijgen geen punten. Daarnaast moet de winnende inschrijver na gunning onderhandelen met werknemersvertegenwoordigers om de concrete vorm van de loonsverhoging vast te leggen en zich inspannen om een specifieke collectieve arbeidsovereenkomst voor deze opdracht tot stand te brengen.
De verwijzende rechter twijfelt aan de verenigbaarheid van dit criterium met het Unierecht en formuleert meerdere bezwaren. Ten eerste wordt betwijfeld of een loonsverhoging daadwerkelijk een geschikte maatstaf is om de economisch meest voordelige inschrijving te bepalen. Hoewel hogere lonen mogelijk bijdragen aan betere dienstverlening, lijkt het verband volgens de rechter te indirect en onzeker.
Ten tweede kan het criterium discriminerend zijn, omdat het ondernemingen verplicht hogere loonkosten te dragen om kans te maken op de opdracht. Dit kan vooral buitenlandse of kleinere ondernemingen benadelen en zo de mededinging beperken. Ten derde kan het criterium onevenredig uitpakken voor bedrijven met minder financiële middelen, die juist concurrerend kunnen zijn door lagere kosten.
Daarnaast rijst de vraag of het criterium inbreuk maakt op het recht op collectieve onderhandelingen. De verplichting om na gunning een nieuwe cao te onderhandelen kan leiden tot verschillen in arbeidsvoorwaarden binnen dezelfde onderneming, afhankelijk van de opdracht.
Tot slot wordt betwijfeld of het criterium nog wel verband houdt met het voorwerp van de opdracht, aangezien de afgesproken loonsverhogingen mogelijk ook buiten de uitvoering van de opdracht doorwerken. De rechter heeft daarom het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing gevraagd over de rechtmatigheid van dit gunningscriterium.
Hoger loon
“Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 tot en met 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet om te beginnen worden aangenomen dat de vergoeding die de geselecteerde inschrijver voor de door hem verrichte dienst ontvangt, grotendeels wordt bepaald door de loonkosten van het personeel dat de dienst verricht, met als gevolg dat het litigieuze criterium verband houdt met het voorwerp van de opdracht. Voorts is het bij een opdracht van deze aard niet onredelijk om te oordelen dat een gunningscriterium waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat het personeel dat de opdracht uitvoert een hoger loon krijgt dan het loon dat in de geldende sectorale collectieve overeenkomst is vastgesteld, bevorderlijk kan zijn voor dit voorwerp doordat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de continuïteit van de dienstverlening aan de personen voor wie deze dienst bestemd is – achtergestelde, kwetsbare personen – wordt verbeterd aangezien een hoger loon tot gevolg heeft dat het personeel dat de opdracht uitvoert, trouw blijft en dat beter gekwalificeerd personeel kan worden aangeworven.”
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht dat Artikel 67, lid 1, van richtlijn 2014/24/EU zo moet worden uitgelegd dat “een criterium voor de gunning van een overheidsopdracht voor maatschappelijke dienstverlening waarbij geen onderdak wordt verschaft, op basis waarvan er rekening wordt gehouden met de loonsverhoging die de inschrijver voorstelt voor het personeel dat de opdracht uitvoert ten opzichte van de beloning die in de geldende sectorale collectieve overeenkomst is vastgesteld, geschikt is voor de aanbestedende dienst om de economisch meest voordelige inschrijving in de zin van die bepaling te identificeren.”
VdLC publishers/consultants BV, 2 april 2026
Lees de volledige uitspraak op eur-lex.europa.eu